MOMPELENDE KASTEN
Ik zie het, ik hoor het: er lopen allemaal mompelende kasten door de straten. Als de ene kast de andere kast passeert vindt er weinig echte begroeting plaats want elke kast is druk bezig met zichzelf, Opgesloten in zijn eigen wereld vol met verhalen, oude angsten en vermolmde laadjes waarin levenloze overtuigingen zijn leven uitmaken, mompelt de dichte-deuren-kast in zijn donkere hoofdruimte zoiets als:
“Heb ik je niet gezegd, dat ik gelijk had? Je kunt die man niet vertrouwen, maar niemand gelooft mij ooit. Doodvermoeiend…Gatsie wat een vieze lucht hangt hier! Waar komt dat vandaan? Nou straks niet vergeten mijn broer te bellen vanwege dat akkefietje dat hij me gelapt heeft. Dan een lekker koud pilsje. Wat een drukte hier op straat! Ik heb eigenlijk helemaal geen zin in dat bezoek vanavond. En daarbij, altijd dat gezeur van haar als ik thuiskom… nooit is het goed. Waarom is het leven zo ingewikkeld?”
Zo min of meer baant zich elke kast, die zichzelf mens noemt, een weg door de straten heen naar huis. De zon schijnt, maar de deurtjes van ieder zijn dicht, gericht op zichzelf en gewend aan de donkere schaduw.
Totdat er één slimme intelligente kast is – ja ja, ze zijn er absoluut! – die ineens zichzelf hoort praten. Hè, ben ik dat? Tegen wie praat ik eigenlijk? Wat een onzin al die verhalen.
Op dat moment wordt het stil in zijn hoofd en alle verhalen verdwijnen vanzelf.
Uit de kast gekomen door zichzelf geen verhalen meer te vertellen, staat hij in een bevrijde grenzeloze wereld van zijn wérkelijke zelf. De deuren zijn opengegaan. De donkere schaduw van angst vervliegt de vrije ruimte in. Hij dijt uit tot alles en niks…
Hij kan zich nu vol vertrouwen overgeven aan iets dat wonderlijk veel groter is.
In plaats van een opgesloten kast vol vragen en zoekende oplossingen, is hij ruimte geworden.
