IK DENK WEL EENS…
Hoe kan het zomaar elke dag weer licht worden? Hoe kan na de winter steeds maar weer simpelweg de lente verschijnen? Waar komt al die nooit aflatende sapstroom in de natuur vandaan? Hoe kan de aarde ons via elke ademhaling steeds maar weer nieuw leven, nieuwe schoonheid en nieuwe energie schenken? Hoe kan ons de teerheid van een kleine vlindertje zo plotseling raken? Waar dienen al die vrolijk zonnige speenkruidjes in het fris-groene gras voor?
Ik denk wel eens, hoe kunnen, ondanks alle oorlogen, haat, chaos en emotionele besmeuring van de mens naar de aarde toe, al die bovenmachtige onzichtbare krachten toch gewoon hun werk blijven doen? En ons blijven verlieven en bekoren? Onzichtbare ijle krachten waar we zelf ook uit voortkomen, krachten die ons leven elk moment bepalen, krachten die we gewoon voor lief nemen omdat we het zo gewoon vinden dat we kunnen ademen en leven… Hoe kan het?
Het is het Universum – zo beschrijft het Tibetaans Boeddhisme – dat ‘een grote Kracht vormt van onophoudelijk omzetting en menging om de zuiverheid van het Juweel te openbaren. Alles gebeurt tot in de perfectie van omvorming, stofwisseling, omzettingen zonder dat de mens ook maar iets moet doen.’ (‘The mind of God’ , zou de natuurkundige Stephen Hawkin zeggen.) ‘Want ín de mens zit diezelfde Kracht’.
Ervan afblijven zegt de Wijsheid, want het is té groot en té wonderbaar voor onze kleine beperkte hersentjes.
Ons er vooral niet mee bemoeien opdat de Kracht zijn eigen natuurlijke werk kan doen en ons zo intact kan blijven houden.
Hoe begrijpelijk is het dan dat de stilte voorbij het denken de enige brug is tussen het onmetelijke Al en het diepste Zijn in ons eigen wezen. Zo voedend en zacht makend.
Zoals ik in mijn dagboekje lang geleden schreef: “De zachte weldaad daalt in mij, wanneer ik de stilte in mijn open hart ontvang”.
