DE DAME OP PANTOFFELTJES

DE DAME OP PANTOFFELTJES

Een aantal jaren geleden zat ik tijdens een diner naast een kunstzinnige muziekdame uit Amsterdam waarmee ik me volop amuseerde. Ze was de jongste telg (76 jaar) uit de oude Boursen-generatie. Dat ik me amuseerde kwam omdat ze zo vol lof sprak over zichzelf en haar culturele bagage. Meermalen liet ze blijken dat de rest van de familie haar verfijnde niveau nooit zou kunnen bereiken, omdat niemand de cultuurdragers zo van dichtbij kende als zij. Ik vond dat vermakelijk om te horen. (Dat haar net iets oudere broer zojuist  een prachtig dichtbundeltje op de markt had gebracht noemde ik maar niet, omdat ze letterlijk een broertje dood aan hem had).
Des te meer reden om haar met chique uitvoerige verve aan het woord te laten. Bovendien kon ik haar niet zoveel interessants vertellen over mijzelf, het gesprek zou alleen maar haperen, en dat is niet de bedoeling tijdens een diner waar een mens geacht wordt te keuvelen over redelijke nonsens. Geamuseerd hoorde ik aan, ik kende het al wel, hoe ze haar huis openstelde voor toppianisten die uit het buitenland naar Nederland kwamen voor een optreden in het Concertgebouw. Ze bood hun onderdak, maakte de heerlijkste maaltijden en vertroetelde hen op elegante wijze aan alle kanten. Vanzelfsprekend beschikte ze in haar huis over een juweel van een vleugel die ze net zo koesterde als haar pianisten. (Of ze zelf ook speelde, daar heb ik nog nooit een duidelijk antwoord op gekregen.) “En raad je wat?” juichte ze net iets te luid zodat iedereen opkeek, “Ik verkeer nu in de buitengewoon bijzondere positie dat ik ’s morgens vroeg tijdens het ontbijt, nog met mijn pantoffels en peignoir aan, al op een tóp-recital van jewelste getrakteerd word. Want de pianisten moeten zich natuurlijk op hun optreden goed en grondig voorbereiden hè. Gewoon in mijn eigen huis! Tja, wie kan dát nou zeggen!” Ik knikte en moest oprecht beamen dat niet iedereen over zo’n briljant en hoogstaand muzikaal B&B beschikte waar je gewoon in je sjofele kamerjasje en op je pantoffeltjes gratis een concert kunt bijwonen. Bij mij thuis moesten mijn zingende en fluitende vogeltjes dat orkestwerk buiten verrichten, hoewel ik daar  buitengewoon mee in mijn sas ben. Bovendien waren mijn topmuzikantjes al dik tevreden met een simpel B&B-pindakoordje.
Het gebabbel naast me kabbelde nog even door. Toen ineens boog de dame zich vertrouwelijk naar mij over en zei op een zachte onder-ons-toon:  “Zeg, jij woont toch in België? Een beetje achteraf hè? Mag ik je dan wat vragen? Mis je dan niet vreselijk de cultuur? En vind je het niet erg dat je nooit ’s avonds zomaar eens een recital kunt bijwonen?” Que? Ik moest even mijn oren schoonwassen maar vond het zo vermakelijk dat ik het liefst gezegd had: “Ja, ik overweeg al een tijdje om naar Amsterdam te verhuizen, maar ik moet het nog even saai zien uit te zingen op dat saaie Belgische platteland”
Ineens schoten mij een paar zinnetjes van Annie M.G. Schmidt te binnen: “dat ik de dichter Piet persoonlijk ken en zelfs twee worstjes met hem heb gegeten, dat maakt dat ik iets heel bijzonders ben, dat moet de wereld dan ook maar eens weten.” (De Snob) Maar ik glimlachte naar de dame en antwoordde dat dat niet het geval was. Nou ja, zo geïnteresseerd was ze ook weer niet in mijn antwoord want ze babbelde er alweer lustig op los.

Ik moest wat grinniken in mezelf. Nu ik ouder word, neem ik het leven en de mens erin steeds minder serieus. Zelfs begin ik zijn spelregels te vergeten, of ik doe maar wat, of ik speel gewoon mee. Dat is uiterst handig want ik ontdek dat iedereen tóch alleen maar zijn éigen handleiding leest en zijn éigen strategie volgt (om die in vele gevallen als politiek statement aan de ander op te dringen) en zijn eigen stem hoort en daar valt niet aan te tornen. Zo ontdekte ik dat niemand uiteindelijk over de werkelijke spelregels beschikt. Niemand weet het. Dat maakt een mens innerlijk zo vrij als een vogel.
Het is een oppervlaktespel van eb en vloed.

Maar het wordt pas gevaarlijk of zelfs rampzalig als elke golf té serieus wordt genomen en als die aan anderen wordt opgedrongen,  waardoor zelfzuchtige strijd, oorlog en aanvallen als enige gelegaliseerde psychologische redding geoorloofd zijn.

Het observeren van de wereld met al zijn politieke gekrakeel is me van een afstand als het toneel van ecce homo soms een stil leedvermakelijk genoegen. Maar meestal maakt het me angstig wanneer ik met leden ogen zie hoeveel noodlottige consequenties en rampzalige gevolgen dat ijdele gehakketak en getwist veroorzaken. Ik trek me dan liever als een musje terug in mijn bos om ergens stil tussen de bomen te wachten tot alles in mij tot rust komt. Ik weet dat het erom gaat om mezelf niet ziek te maken met onbereikbare zaken. Ik weet dat ik dichtbij moet blijven. Ik weet dat ik me zachtjes moet ontspannen, langzamer moet doen, met simpele dingen tevreden moet zijn en steeds minder willen…steeds minder willen…steeds minder…tot alles opgeruimd is…tot alles roerloos is. De volle werkelijkheid verschijnt dan, als de zon die opkomt. Dit is de toegangspoort naar werkelijke vreugde. En daar zijn geen spelregels voor nodig. Weinigen weten dit. Ik kan er alleen maar een beetje over schrijven. Een musje dat stil wat scharrelt op de grond tussen de blaadjes… Weinigen weten dit.

Maar als ik dan weer naast zo’n dame zit, stijg ik als een zwijgende diepzeeduiker op naar boven, en houd zó van haar ijdele amusement.